Auteurs van deze pagina: Lotte Maathuis, Marijke den Ouden

0. Praktische informatie voor taalonderzoek


Mogelijke problemen in het Nederlands als gevolg van transfer
Problemen die het gevolg zijn van transfer zijn niet direct een indicatie van een taalontwikkelingsstoornis. Indien de problemen die hieronder beschreven worden langdurig aanhouden, kan dit wel een indicatie zijn van een TOS.

Schrift
Naast het feit dat het Hebreeuws van rechts naar links wordt geschreven is een belangrijk verschil met het Nederlandse schrift dat het alfabet geen klinkers kent. Door middel van diakritische tekens kan wel worden aangegeven welke klinker er in een woord uitgesproken moet worden, maar deze tekens worden lang niet altijd gebruikt. Het zal voor iemand die Hebreeuws heeft leren schrijven dus even wennen zijn dat er in het Nederlands verplicht klinkers geschreven moeten worden.

Fonologie
De Nederlandse consonantklanken die niet in het Hebreeuws voorkomen, zijn: [ɦ] (glottaal stemloos), [ŋ]. Aangezien het Hebreeuws wel de [h] kent en deze alleen om zal moeten vormen naar een stemloze klank en omdat de [ŋ] de eigenschappen van de [n] en [g] combineert, hoeven hier geen problemen verwacht te worden.
Het aanleren van de Nederlandse klinkers kan wel enigszins lastig zijn. Het Hebreeuws kent wel de vaak voorkomende [a], [e], [i], [o] en [u] in lange en korte vorm, maar niet de [ɑ], [ԑ], [y], [Y], [ɪ], [ͻ], [œj], [ԑi] en [au]. Het zal wat moeite kosten om de uitspraak van deze klinkers onder de knie te krijgen.

Naast de nieuwe klanken die voor het Nederlands geleerd moeten worden, zal ook geleerd moeten worden dat de [f] in het Nederlands wel aan het begin van een woord kan voorkomen en dat de [p] wel aan het einde van een woord kan staan. Medeklinkerclusters komen niet vaak voor in het Hebreeuws en kunnen dus in het begin ook problematisch zijn.

Morfologie

Lidwoorden
Het Hebreeuws kent alleen een bepaald lidwoord dat onderscheid kan maken tussen mannelijke en vrouwelijke woorden. Er is dus geen onbepaald lidwoord en er is ook geen onzijdig geslacht, zoals we dat wel in het Nederlands kennen. Daarnaast komt het lidwoord in het Hebreeuws voor als een prefix in plaats van als zelfstandig woord. Deze nieuwe eigenschappen van naamwoorden zullen geleerd moeten worden. Wat afgeleerd zal moeten worden is het dubbele gebruik van lidwoorden. In het Hebreeuws krijgt een bijvoeglijk naamwoord hetzelfde lidwoord als het zelfstandig naamwoord waar het bij hoort (bijv: de man de grote). In het Nederlands is één lidwoord voldoende.

Naamwoorden
De vorming van het meervoud en de functies van het bijvoeglijk naamwoord zijn in het Hebreeuws en Nederlands vergelijkbaar. Op dit gebied worden geen problemen verwacht. Een extra mogelijkheid in het Hebreeuws is wel de dualis. Dit is een vorm van een naamwoord dat aangeeft dat het specifiek om een tweetal gaat. In het Nederlands is hier geen onderscheid met het meervoud.

Werkwoorden
Er zijn 7 grammaticale structuren waarbinnen een werkwoord in het Hebreeuws vervoegd kan worden. Deze binyanim geven het aspect van de stam van het werkwoord weer. Niet ieder werkwoord past binnen iedere binyan. Werkwoorden kunnen in toekomende, tegenwoordige en verleden tijd door middel van een suffix worden vervoegd en passen zich daarbij in getal aan het onderwerp aan. In de toekomende en verleden tijd kan ook onderscheid gemaakt worden tussen personen. De vervoeging van werkwoorden lijkt dus op het Nederlands.

Waar het Hebreeuws afwijkt ten opzichte van het Nederlands is het aantal betekenissen dat met één vervoeging tot stand kan worden gebracht. Het Nederlands kent namelijk nog onderscheid in voltooidheid binnen de toekomende, tegenwoordige en verleden tijd. Dit is in het Hebreeuws niet het geval.

Voorzetsels
Voorzetsels in het Hebreeuws zijn vrije of gebonden (prefix) morfemen in plaats van alleen vrije morfemen zoals in het Nederlands. Het los schrijven van voorzetsels zal aangeleerd moeten worden.

Syntaxis
De woordvolgorde van het Hebreeuws is gelijk aan de woordvolgorde van de Nederlandse hoofdzin (SVO). Het formuleren van de Nederlandse bijzin zou daarom enigszins problematisch kunnen zijn. Daarnaast is de woordvolgorde in het Hebreeuws niet zo vast als in het Nederlands, omdat door de rijkere inflectie de functie van een woord al duidelijk is. Soms is er in het Hebreeuws sprake van een VSO volgorde.

Bij het formuleren van een ja/nee-vraagzin, blijft de zinsvolgorde onveranderd, maar wordt de vraag door middel van intonatie duidelijk gemaakt. Bij een vraagzin met een van de vraagwoorden wat, waar, wanneer en hoe wordt het vraagwoord op de eerste positie van de zin geplaatst, maar blijft de volgorde van de rest van de zin gelijk.

Mogelijke vragen aan ouders/tolken met betrekking tot specifieke TOS-elementen
Onderstaande vragen zijn gebaseerd op literatuur die de verwervingsvolgordes (alleen beschikbaar voor fonologie) en kenmerken van een taalontwikkelingsstoornis (morfologie en syntaxis) in het Russisch beschrijft. Deze vragen kunnen als ondersteuning bij diagnosticering gebruikt worden.

Fonologie
  • Heeft het kind na het vierde levensjaar alle consonanten van het Hebreeuws behalve de [s], [z], [c] en [š] verworven?
Alleen deze vier klanken zijn bij normaal ontwikkelende kinderen pas na 6;6 jaar verworven.
  • Ondervindt het kind na het vierde levensjaar nog problemen met complexe onsets in het Hebreeuws in de vorm van vereenvoudiging of gebruik van verdubbeling van een simpele klank?
Vanaf 4 jaar is bij normaal ontwikkelende kinderen 85% van de complexe onsets verworven. Er vindt tijdens de verwerving van clusters clusterreductie plaats. Dit kan ertoe leiden dat een tweede persoon enkelvoud vrouwelijk als derde persoon wordt geuit.

Morfologie
  • Ondervindt het kind na het zevende levensjaar nog problemen bij de vervoeging van naamwoorden of werkwoorden?
    • Worden er daarbij veel fouten gemaakt in de tweede persoon enkelvoud, mannelijk en vrouwelijk?
    • Wordt er daarbij vaak de eerste persoon gebruikt?
  • Ondervindt het kind na het zevende levensjaar nog veel problemen in het gebruik van voorzetsels?
    • Worden daarbij meer omissiefouten gemaakt bij de gebonden dan bij de vrije morfemen?
Vanaf een leeftijd van zeven jaar wordt in het Hebreeuws 80% van de voorzetsels correct gebruikt.

Syntaxis
  • Begrijpt het kind met een leeftijd tussen de 7 en 11 nog geen betrekkelijke bijzinnen met een lijdend voorwerp (zoals: This is the girl that the grandmother is kissing.)?
Normaal ontwikkelende kinderen zijn wel in staat dit soort zinnen (vanaf 6 jarige leeftijd) te begrijpen.

Top

1. Algemene informatie over het Modern Hebreeuws (Ivriet)

Het Modern Hebreeuws wordt ook wel het Ivriet genoemd. Deze taal wordt in Israël door vijf miljoen mensen gesproken en ook door veel joden wereldwijd. Naast het Hebreeuws is ook het Arabisch een veel gesproken taal in Israël. Het Hebreeuws is ongeveer 1700 jaar niet gebruikt als omgangstaal. De Joden spraken in 536 voor Christus geen Hebreeuws meer, maar Aramees, een taal die verwant is aan het Hebreeuws. Het Hebreeuws werd een heilige taal, een taal die voornamelijk gebruikt werd in de tempel, in de synagoge en voor het gebed. Zoals het Hebreeuws in die tijd gebruikt werd, is te vergelijken met het Latijn, deze taal stierf ook als omgangstaal, maar werd wel gebruikt in de diensten binnen de Rooms Katholieke Kerk. Tegenwoordig is het Modern Hebreeuws een levende taal, een taal die gebruikt wordt binnen universiteiten, media, boeken en tijdschriften en een taal die ook gesproken wordt binnen de Knesset (het Israëlisch parlement). De herleving van het Hebreeuws is tot stand gebracht door Eliëzer ben-Yehuda. Hij heeft ervoor gezorgd dat het Hebreeuws één van de drie officiële talen van Palestina werd. Hij ontwikkelde nieuwe, moderne woorden. Dit waren woorden die niet uit de Thora (het Oud Hebreeuws) afgeleid konden worden, zoals het woord voor telefoon. Hij introduceerde deze woorden in kranten die hij zelf schreef en uitbracht. De ontwikkeling van het Modern Hebreeuws ging niet zonder vallen en opstaan. Eliëzer ben-Yehuda heeft veel tegenspoed gekend. Sommige Joden vonden het gebruik van het Hebreeuws voor wereldse zaken godslastering. In 1948 werd het Modern Hebreeuws de officiële taal van de staat Israël.

Het Modern Hebreeuws (hierna Hebreeuws genoemd) is een Semitische taal, die van rechts naar links geschreven wordt. Semitische talen zijn talen die voornamelijk in het Midden-Oosten gesproken worden. Naast het Modern Hebreeuws zijn Modern Aramees en het Modern Arabisch voorbeelden van Semitische talen.

Het schrift

Het Hebreeuws wordt van rechts naar links geschreven. Het Hebreeuws kent twee alfabetten, één voor gedrukte teksten en één voor handgeschreven teksten. Het schrift bestaat uit 22 medeklinkers en de klinkers zijn vervangen door klanktekens. Elke letter staat ook voor een getal, maar tegenwoordig worden getallen weergegeven door cijfers, zoals wij ze ook kennen. Er wordt in het Hebreeuws onderscheid gemaakt tussen “plene spelling” (spelling zonder vocalen en diakritische tekens) en gevocaliseerde spelling. De “plene spelling” wordt vaker gebruikt dan de gevocaliseerde spelling. Kinderboeken, gedichten en boeken voor beginnende lezers maken altijd gebruik van diakritische tekens.

De afbeelding hieronder geeft de 22 consonanten van het Hebreeuws alfabet weer. Sommige consonanten, zoals de Mem, hebben twee schrijfwijzen, dit is afhankelijk van de plaats in het woord. De linker schrijfwijze is de schrijfwijze die wordt gebruikt aan het eind van het woord.

Omdat het Hebreeuws van rechts naar links geschreven wordt, is ook het alfabet van rechts naar links. De Alef is dus de eerste letter van het alfabet en de Tav de laatste.

hebreeuws.jpg
Figuur 1: het Hebreeuwse alfabet (Verrijp & Willems, 2014)

Het Hebreeuwse alfabet heeft geen geschreven vocalen. Door gebruik te maken van punten en strepen (diakritische tekens) bij de letters worden de vocalen duidelijk gemaakt.
Top

2 Specifieke informatie over het Ivriet


Fonologie


Consonanten
Onderstaande tabel geeft de consonanten en hun uitspraak weer van het Hebreeuws. De klank aan de rechterkant van een cel is telkens de stemhebbende tegenhanger van de stemloze klank die links staat.

Tabel 1: Consonanten van het Modern Hebreeuws

Bilabi-aal
Labio-den-
taal
Alveo-laar
Pala-taal-
Alveo-laar
Palataal
Velaar
Uvulaar
Faryn-gaal
Guttu-raal
Plosief
/p/ /b/

/t/ /d/


/k/ /g/



Fricatief
/f/ /v/

/s/ /z/ /r/
/š/ /ž/

/x/
/r/
/h/ /ˀ/
/h/
Affricatief


/c/
/ğ/ /č/





Nasaal
/m/

/n/






Lateraal


/l/






Semi-vocaal
/w/

/r/

/y/





Over een aantal consonanten moet een opmerking geplaatst worden:
  • De /r/ wordt op veel manieren uitgesproken bij moedertaalsprekers van het Hebreeuws.
  • De /w/, /č/, /ğ/ en /ž/ komen voor in leenwoorden.
  • De faryngale consonanten /h/ en /ˀ/ komen voornamelijk voor in de spraak van moedertaalsprekers van wie de ouders afkomstig zijn uit Arabisch sprekende gebieden.
  • De gutturale fricatief /h/ wordt door veel Israëliërs niet uitgesproken.

Vocalen
Het Modern Hebreeuws heeft vijf vocalen: /i/, /e/, /a/, /o/ en /u/. De uitspraak van de vocalen is afhankelijk van de positie in het woord en de omliggende syllabes. Daarnaast zijn er morfofonemische afwisselingen tussen de /i/ en de /e/, de /o/ en de /u/, de /e/ en de /Ø/, de /o/ en de /Ø/ en de /a/ en de /Ø/. De lengte van een vocaal wordt duidelijk gemaakt door het toevoegen van dit symbool: /ˀ/ of door het toevoegen van de /h/. Bijvoorbeeld: tavi -> taviˀi (brengen) en māpax -> mahpax (omwenteling).

Diftongen
Er zijn twee soorten diftongen die de uitspraak beïnvloeden. De eerste wordt Ashkenazi genoemd. Hierbij wordt de vocaal Tsere uitgesproken als een diftong. Bijvoorbeeld: pe (mond) pey (de letter /pe/). De tweede soort diftong is een spellingsuitspraak waarbij de vocaal /e/ gespeld wordt door gebruik te maken van de letter Yod, dit brengt semantische verschillen met zich mee binnen een woord. Bijvoorbeeld: more hamosad (het instituut van de leraar) en morey hamosad (de leraren van het instituut).

Klemtoon
De klemtoon neemt in het Hebreeuws een belangrijke plek in, zeker omdat bepaalde woorden, afhankelijk van de klemtoon, betekenisonderscheidend zijn. De klemtoon kan op de volgende twee manieren geplaatst worden:

  • Penultimate stress: klemtoon op de één-na-laatste syllabe.
  • Ultimate stress: klemtoon op de laatste syllabe van het woord.

In de volgende voorbeelden wordt het belang van de klemtoon in het Hebreeuws duidelijk: boker (cowboy) en bóker (ochtend) en racu (zij willen) en rácu (zij renden).

Syllabestructuren
De meest voorkomende syllabestructuren in het Hebreeuws zijn de consonant-vocaal (C-V) en de consonant-vocaal-consonant (C-V-C). Er beginnen in het Hebreeuws geen woorden met de /f/ en er eindigen geen woorden op de /p/ en de /b/. Wanneer er toch sprake is van een initiale /f/ of een finale /b/ of /p/ dan zijn dat leenwoorden.

Clusters
Initiale twee-consonantclusters komen veel voor in het Hebreeuws, zoals gdula (grootheid) en šlutit (plas). Er zijn condities waarbij initiale consonantclusters niet voorkomen. Dit is wanneer de eerste consonant een /l/, /m/, /n/, /r/ of /y/ is, wanneer de eerste consonant een gutturaal is, een vocaal met een /ˀ/ is of wanneer de eerste consonant een /h/ of een /x/ is, wanneer de tweede consonant een /ˀ/ bij zich draagt of een /h/. Ten slotte komt een initiaal consonantcluster ook niet voor wanneer de beide consonanten dezelfde articulatieplaats hebben. Enkele voorbeelden hiervan zijn:

  • Melaxim (koningen) -> de eerste consonant is een /m/, dus een consonantcluster komt niet voor.
  • Xalakim (delen) -> de eerste consonant is een /x/, dus een consonantcluster komt niet voor.
  • šeˀela (vraag) -> in het Hebreeuws worden de vocalen niet weergegeven, voorafgaand aan de tweede consonant staat een /ˀ/, dus consonantclusters komen niet voor.
  • Šezif (pluim) -> de /š/ en /z/ hebben dezelfde articulatieplaats, dus consonantclusters komen niet voor.

Wanneer er een drie-consonantcluster voorkomt in het Hebreeuws, wordt de /i/ toegevoegd om het cluster te breken, zoals in btnuˀa -> bitnuˀa (verplaatsing).

Ook mediale twee-consonantclusters komen veel voor in het Hebreeuws, zoals miškal (gewicht) en šilton (regering). Ook zijn er bij de mediale twee-consonantclusters uitzonderingen. Twee-consonantclusters zijn verboden wanneer de consonanten dezelfde articulatieplaats hebben of wanneer de eerste letter een gutturaal is. Een voorbeeld is:

  • Neherag (was vermoord) -> de /h/ is een gutturaal, hierdoor komt een mediaal twee-consonantcluster niet voor.

Mediale drie-consonantclusters komen in het Hebreeuws zelden voor. Wanneer er wel een mediaal drie-consonantcluster voorkomt, duidt dit vaak op een leenwoord.

Finale twee-consonantclusters komen zelden voor in het Hebreeuws, alleen bij de inflectie van de tweede persoon vrouwelijk in de verleden tijd, zoals katavt (zij schreef). Wanneer er buiten deze inflectie een finaal twee-consonantcluster voorkomt, duidt dit ook vaak op een leenwoord waarbij de laatste consonant een obstruent is. Er zijn geen twee-consonantclusters met een finale sonorant.

Gutturalen
De gutturale klanken (/ˀ/, /x/ en /h/) worden vaak toegevoegd om een vocaal te verlengen of een cluster te breken. De gutturale klanken nemen in het Hebreeuws een belangrijke plaats in. Gutturale vormen liggen in sommige woorden dicht bij een andere vorm, maar er treedt wel een verschil in betekenis op, zoals weergegeven in onderstaand voorbeeld.

  • šoˀalim (vragen) en šolxim (zenden).

Top

Morfologie

Het Hebreeuws in een geïnflecteerde taal. Dit betekent dat de inflectie van werkwoorden, bijvoeglijk naamwoorden, voorzetsels en bijwoorden afhankelijk is van de structuur van de zinnen. Naamwoorden zijn geïnflecteerd voor getal en geslacht, bezittelijke inflectie is niet altijd verplicht.

Lidwoorden
Het Hebreeuws kent alleen een bepaald lidwoord. Er is één lidwoord voor zowel mannelijke als vrouwelijke woorden (vrouwelijke woorden eindigen vaak op –ah, -et, -at), namelijk het lidwoord: ha. Onzijdige woorden komen in het Hebreeuws niet voor. In het Hebreeuws hoeft er niet altijd een lidwoord voor een zelfstandig naamwoord te staan. Wanneer dit het geval is, zoals bij het woord huis (bayit) wordt dit vertaald met ‘een’. In dit voorbeeld kan bayit dus ook vertaald worden als ‘een huis’.

Enkelvoud en meervoud
Het Hebreeuws kent naast het enkelvoud en meervoud nog een vorm, de dualis. Deze vorm geeft een tweevoud aan. Het meervoud wordt in het Hebreeuws vaak gevormd door –iem of –ot achter het enkelvoud te plakken. Dit gaat soms gepaard met een verandering in de stam van het woord. Enkele voorbeelden zijn:

  • chalom (droom) -> chalomot (dromen)
  • zaken (oude man) -> zekaniem (oude mannen)

Regel voor het meervoud: een lange vocaal in de eerste lettergreep van een woord met twee lettergrepen wordt verkort tot een sjwa (geeft aan dat er geen vocaal bij een consonant hoort). Wanneer de vocaal al kort is, verandert er niets.

Bijvoeglijk naamwoord
Het bijvoeglijk naamwoord kan in het Hebreeuws op twee manieren geplaatst worden, attributief en predicatief. In het Hebreeuws staat het attributief gebruikte bijvoeglijk naamwoord achter het zelfstandig naamwoord. Dit is in het Nederlands net andersom. Het bijvoeglijk naamwoord neemt de kenmerken geslacht, getal en bepaaldheid over van het zelfstandig naamwoord. Wanneer het zelfstandig naamwoord mannelijk is, krijgt het bijvoeglijk naamwoord een mannelijke vervoeging. Wanneer het zelfstandig naamwoord een meervoudsvorm is, dan neemt het bijvoeglijk naamwoord ook de meervoudsvorm aan. Wanneer het zelfstandig naamwoord een lidwoord heeft, dan heeft het bijvoeglijk naamwoord dat ook. Enkele voorbeelden:

  • ‘Een groot huis’ wordt in het Hebreeuws ‘huis groot’.
  • ‘Het grote huis’ wordt in het Hebreeuws ‘het huis het grote’.
  • iesh toov -> een goede man (mannelijk enkelvoud, beide zonder lidwoord)
  • haˀiesh hattoov -> de goede man (mannelijk, enkelvoud, beide met lidwoord ha)
  • ieshiem toviem -> goede mannen (mannelijk, meervoud –iem, beide zonder lidwoord)
  • haˀieshiem hattoviem -> de goede mannen (mannelijk, meervoud – iem, beide met lidwoord ha)

Wanneer het bijvoeglijk naamwoord predicatief gebruikt wordt ontbreekt het lidwoord van het bijvoeglijk naamwoord. Het bijvoeglijk naamwoord kan nu voor of achter het bijbehorende zelfstandig naamwoord geplaatst worden. Enkele voorbeelden:

  • toov haˀiesh -> de man is goed (mannelijk, enkelvoud, bijvoeglijk naamwoord voor zelfstandig naamwoord en lidwoord alleen voor –iesj).
  • ha’iesh toov -> de man is goed (mannelijk, enkelvoud, bijvoeglijk naamwoord achter het zelfstandig naamwoord, lidwoord alleen voor -iesh).
  • toviem ha’ieshiem -> De mannen zijn goed (mannelijk, meervoud –iem, bijvoeglijk naamwoord voor het zelfstandig naamwoord, lidwoord alleen voor –ieshiem).


Wanneer een zelfstandig naamwoordgroep uit een mannelijk en een vrouwelijk woord bestaat, wordt de groep als mannelijk vervoegd. Daarnaast hebben alle zelfstandig naamwoorden die personen aanduiden, dan is er zowel een mannelijke als een vrouwelijk vorm van dat woord.

Aanwijzend voornaamwoorden congrueren met het bijbehorende zelfstandig naamwoord in geslacht en getal.

Werkwoorden
De Hebreeuwse werkwoordsmorfologie gaat uit van een aantal binyanim, zeven in totaal. Elke binyan geeft een aspect van de stam weer. Een binyanim geeft de structuur van consonanten aan. Er zijn verschillende prefixen die een binyan aanduiden. Voor de stam c-t-v (waarbij de betekenis van deze stam “iets” met schrijven te maken heeft), bestaan de volgende vormen:

Tabel 2: zeven Hebreeuwse binyanim
Binyanim
Hebreeuws woord
Betekenis
1. Qal
catav
hij schreef
2. Piˀel
cittev
hij graveerde
3. Hiphˀil
hichˀtiv
hij dicteerde
4. Hitpaˀel
hitcattev
hij correspondeerde
5. Puˀal
huchˀtiv
hij werd gedicteerd
6. Huphˀal
cuttav
het was gegraveerd
7. Niphˀal
nichˀtav
het was geschreven

  • De eerste binyan is de meest eenvoudige vorm van het werkwoord, bijvoorbeeld: “hij schreef een boek’. De zevende binyan draagt hetzelfde kenmerk met zich mee, maar dan in de verleden tijd.
  • De twee binyan draagt een meer intensief kenmerk met zich mee, bijvoorbeeld: “hij schreef in een steen”. Het gaat om dezelfde actie (schrijven) als bij de eerste binyan, alleen is deze vorm moeilijker. De zesde binyan draagt hetzelfde kenmerk met zich mee, maar dan in de verleden tijd.
  • De derde binyan betekent dat de persoon zelf niet de actie doet, bijvoorbeeld “hij dicteerde iedere letter terwijl ik typte”. De persoon zelf voert dus niet de actie uit (schrijven), maar zorgt ervoor dat iemand anders de actie (schrijven) uitvoert. De vijfde binyan draagt hetzelfde kenmerk met zich mee, maar dan in de verleden tijd.
  • De vierde binyan is actief en passief op hetzelfde moment, bijvoorbeeld: “hij schreef brieven”  actief en “hij ontving brieven die aan hem gericht waren”  passief.
  • Het werkwoord ‘schrijven’ dat in bovenstaand voorbeeld gebruikt is, is een goed voorbeeld om alle zeven binyanim (meervoudsvorm van binyan) weer te geven. De zesde binyan wordt echter nooit gebruikt in het Hebreeuws en is weergegeven als voorbeeld. Niet alle binyanim past dus bij elk werkwoord. Gemiddeld passen vier of vijf binyanim bij een werkwoord.

Een werkwoord dat in de tegenwoordige tijd staat, kan onderscheid aangeven tussen meervoud en enkelvoud, maar niet tussen persoon. In de toekomende en verleden tijd is dit wel mogelijk. De verleden tijd onderscheidt zich daarnaast door middel van een suffix van de tegenwoordige tijd. Wanneer een werkwoord in de verleden tijd staat en een eerste of tweede persoon aanduidt, kan het persoonlijk voornaamwoord in een formele situatie weggelaten worden.

De verschillende werkwoordstijden hebben meer dan één betekenis. Met de verleden tijd kan aangegeven worden dat iemand ‘opstond’, ‘aan het opstaan was’, ‘is opgestaan’ en ‘was opgestaan’. In de tegenwoordige tijd kan eenzelfde werkwoordsvervoeging aangeven dat iemand ‘opstaat’ of ‘aan het opstaan is’. In de toekomende tijd kan het werkwoord een voorspelling of een verzoek (indien 2e persoon) aangeven.

Voorzetsels
Het Hebreeuws maakt voornamelijk gebruik van drie voorzetsels, deze drie voorzetsels komen in het onderstaande voorbeeld aan bod:
  • jeroesjaalaajiem (Jeruzalem)
  • bijeroesjaalaajiem (in Jeruzalem)
  • lejeroesjaalaajiem (naar Jeruzalem)
  • kijeroeslaalaajiem (zoals Jeruzalem)

Top

Syntaxis

Onderstaande zin laat de zinsstructuur van het Hebreeuws zien. Het Hebreeuws maakt veel gebruik van SVO (subject-verb-object) zinnen.

kšedavid raˀa šeˀavadav mitlaxašim.
Wanneer-David zag dat-slaven-zijn fluisteren.

Er is een congruentie tussen ˀavadav en mitlaxašim (mannelijk, meervoud).
De zinnen bestaan uit een naamwoordelijk en een werkwoordelijk deel. Op elke plaats in de zin mag het naamwoordelijk deel geplaatst worden. Het naamwoord cipor (vogel) met het bijvoeglijk naamwoord katan (klein) komt op veel verschillende plaatsen voor in onderstaande zinnen:

  • ha-cipor ha-ktan-a ciyec-a (de kleine vogel twitterde).
  • raˀiti cipor ktan-a (ik zag een kleine vogel).
  • hem natn-u léxem le-cipor ktan-a (zij gaven brood aan de kleine vogel).
  • hi mitnahég-et kmo cipor ktan-a (zij gedraagt zich als een kleine vogel).
  • zot cipor ktan-a (dit is een kleine vogel).

De predicaatzinnen kunnen verbaal of nominaal zijn. Het predicaat in een nominale zin bevat elk type van een naamwoordelijk deel, bijvoeglijke naamwoorden en bijwoorden. Zinnen kunnen bestaan uit alleen een werkwoordelijke zin, een zin met een werkwoordelijk en een naamwoordelijk deel en delen met een koppelwerkwoord. Een koppelwerkwoord wordt alleen gebruikt in de verleden tijd, de toekomstige tijd en bij de gebiedende wijs.

  • hu gamar ˀet ha-séfer (he las het boek uit)  werkwoordelijk deel.
  • hu mi-givˀatáyim; ˀani lo mekomi-t (hij – komt – uit Givataym; ik ben niet vanhier)  naamwoordelijk deel en een werkwoordelijk deel.
  • ma yihye ha-mexir? (wat zal de prijs zijn?)  gebruik koppelwerkwoord, toekomstige tijd.

Zinstructuur en woordvolgorde
In het Hebreeuws is de inflectie van werkwoorden, bijvoeglijke naamwoorden en preposities verplicht, daarbij is een relatief vrije woordvolgorde. Onderstaande zinnen laten de vrijheid van de woordvolgorde zien:

kanirˀe lo tafás-ti ˀet ma še-ˀamár-ta kódem.
Blijkbaar niet begreep-ik AC wat dat-zei-jou daarvoor.

lo tafásti ˀet ma šeˀamár-ta kódem kanirˀe.
Niet begreep-ik AC wat dat-zei-jou daarvoor blijkbaar.

De bovenstaande zinnen hebben dezelfde betekenis. Bijwoorden en lijdend voorwerp kunnen in zinnen verplaatst worden zonder dat de betekenis verandert. Wanneer echter alle bijwoorden naar het begin van de zin verplaatst worden, wordt de zin ongrammaticaal.

Het Hebreeuws is een SVO taal met een afwisselende VSO woordvolgorde.

De woordvolgorde in verbale zinnen is: onderwerp, werkwoord, lijdend voorwerp en bijwoorden. In nominale zinnen gaat het onderwerp vooraf aan het predicaat en bijwoorden kunnen aan het begin of het eind van de zin geplaatst worden.

Ondanks de relatief vrije woordvolgorde in zinnen, zijn er een aantal regels aangaande de woordvolgorde:
  • Als een lijdend voorwerp of een bijwoord aan het begin van een werkwoordelijke zin staat, gaat het werkwoord vooraf aan het onderwerp van het naamwoordelijk deel.
  • Een geïnflecteerd lijdend voorwerp gaat vooraf aan een niet-geïnflecteerde.
  • Een indirect geïnflecteerd lijdend voorwerp gaat vooraf aan een geïnflecteerd direct lijdend voorwerp.

In het Hebreeuws komen zinnen voor zonder onderwerp. In sommige gevallen is dit onderwerp geen persoon, maar bijvoorbeeld een begrip als ‘mensen’ of ‘iemand’, zoals in de volgende zin:

bamakolet konim mucre ˀóxel lamitbax (kopen etenswaren in de supermarkt).

Bij het formuleren van een ja/nee-vraagzin, blijft de zinsvolgorde onveranderd, maar wordt de vraag door middel van intonatie duidelijk gemaakt. Bij een vraagzin met een van de vraagwoorden wat, waar, wanneer en hoe wordt het vraagwoord op de eerste positie van de zin geplaatst, maar blijft de volgorde van de rest van de zin gelijk.

De woordvolgorde in het Hebreeuws is redelijk vrij, zoals gebleken is uit de voorbeelden. Verschillende elementen van de zin kunnen aan het begin van de zin geplaatst worden. Topicalisatie (een manier om de kern te benadrukken door die voorop in de zin te plaatsen) kan door de taalgebruiker vrij gebruikt worden om bijvoorbeeld tot beter taalbegrip te komen.

Top

Pragmatiek

Het Hebreeuws kende oorspronkelijk twee soorten voornaamwoorden, de aanwijzende (ze (m), zot (v), elle (mv)) en de persoonlijke voornaamwoorden (hu (m), hi (v), hem (mv)). Beide soorten kunnen gebruikt worden als bepaald aanwijzend voornaamwoord, zoals ha-bayit ha-ze (dit huis). De aanwijzende voornaamwoorden kunnen ook gebruikt worden als onbepaald aanwijzend voornaamwoord, zoals bayit ze (dit huis). In het gebruik van deze soorten voornaamwoorden wordt er in het Hebreeuws onderscheid gemaakt tussen de literaire vorm en de spreektaal. De literaire vorm bestaat uit een drievoudig systeem: ze, haze en hahu. Enkele voorbeelden van deze vormen zijn ha-bayit ha-ze (dit huis), habayit hahu (dat huis) en bayit ze (dit huis). In de spreektaal bestaan er slechts twee vormen: ha-ze en hahu.

3. Verwervingsvolgorde van bovengenoemde domeinen in het Ivriet


Fonologie
Onderstaande tabel geeft de verwervingsvolgorde van de consonanten weer.

Tabel 3: de Hebreeuwse consonanten
Leeftijd
Consonant
2;6-3;0
/m/, /n/, /y/, /p/, /b/, /t/, /d/, /k/, /g/, /f/, /x/
3;0-3;6
/l/
3;6-4;0
/v/
4;0
/r/
Na 6;6
/š/, /s/, /z/, /c/

Bij de verwerving van de consonanten komt substitutie voor. Een fricatief wordt een korte klank, een affricatief wordt een fricatief, een laterale klank wordt een glijklank, stemhebbend wordt stemloos en een dorsale klank wordt een alveolair. De substitutie komt voor tijdens de segmentale ontwikkeling, terwijl deletie voornamelijk voorkomt tijdens de prosodische ontwikkeling.

De verwervingsvolgorde van de vocalen is als volgt: /a/ -> /u/, /i/ -> /o/, /e/. Oftewel, eerst de lage vocalen, gevolgd door de hoge vocalen en als laatst de midden vocalen. Substitutie van vocalen komt zelden voor, maar in een aantal gevallen vindt er substitutie van de /a/ plaats.
Opvallend is dat de volgorde van verwerving, zowel van de consonanten als de vocalen, niet volledig te herleiden is in de frequentie van de verschillende klanken.

Syllabestructuur
Het Hebreeuws is een taal waarin voornamelijk woorden met een lengte van één tot vier syllabes voorkomen. De meeste woorden bestaan uit twee (47%) en drie syllabes (35%), woorden die langer zijn dan drie syllabes komen minder vaak voor (13%). Monosyllabische woorden komen zelden voor (5%). De verwerving van een prosodisch woord verloopt in vier fases:

  • Fase 1: sub-MW-fase -> in deze fase wordt een woord (onafhankelijk van het aantal syllabes van het doelwoord) uitgesproken als een woord met maar één syllabe. Het Hebreeuws kent maar enkele woorden die monosyllabisch zijn, waardoor deze fase erg kort is.
  • Fase 2: pre-MW-fase -> in deze fase komt de eerste uiting van het kind van twee syllabes voor. De eerste uiting van het kind van twee syllabes zij met penultimate stress (klemtoon op de één-na-laatste syllabe). Woorden met de klemtoon op de één-na-laatste syllabe worden eerder verworven dan meer-syllabische woorden met ultimate stress (klemtoon op de laatste syllabe van het woord). Woorden met de klemtoon op de laatste syllabe worden monosyllabisch geproduceerd (mataná (gift)), maar woorden met klemtoon op de één-na-laatste syllabe worden geproduceerd met twee syllabes (avokádoádo (avocado))
  • Fase 3: MW-fase -> tijdens deze fase produceren kinderen maximaal twee syllabes, dit is niet het minimale. In deze fase zullen ook monosyllabische woorden uitgesproken worden als monosyllabische woorden.
  • Fase 4: post-MW-fase -> in deze fase voegen kinderen meer syllabes toe.
(MW staat voor minimaal woord en begrenst de grootte van een woord, twee syllabes of twee mora’s).

Tabel 4: Fases bij het woord nešiká (kus).
Fase 1:
Ka
Fase 2:
Ka
Fase 3:
Šiká
Fase 4:
nešiká

Tabel 5: Fases bij het woord lemáta (omhoog)
Fase 1:
ma/ta
Fase 2:
máta
Fase 3:
máta
Fase 4:
lemáta

Top

Wanneer een kind een nieuwe syllabe leert, leert hij eerst de nucleus, dan de onset en tenslotte de coda.

Syllabestructuur – onset
De syllabestructuur CV (47%) en CVC (40%) komen frequent voor in het Hebreeuws. Syllabes met een complexe onset CCV(C) komen zelden voor (4%). 88% van de syllabes in het Hebreeuws hebben een simpele onset, 9% van de syllabes heeft geen onset en 4% heeft een complexe onset.

De eerste syllabe die geproduceerd wordt door normaal ontwikkelende kinderen is een syllabe met de CV structuur. In de verschillende fases die een kind doorloopt bij de verwerving van de onset, komen vereenvoudigingsprocessen voor. Deze processen zijn onset deletie en komt voor in de vroege fase. De fase die hierop volgt is de onset kopie, hierbij wordt de initiale onset gelijk aan de onset in de daaropvolgende syllabe. De fases van verwerving van eenvoudige onset is in onderstaande tabel weergegeven met een voorbeeld.

Tabel 6: Voorbeeld verwerving onset
Onset deletie à
Onset kopie à
Doel onset
Ipúr
pipúr
sipúr (verhaal)

De complexe onsets worden laat verworven. Rond de leeftijd van 4;0 worden 85% van de complexe onsets correct geproduceerd. Ook bij de verwerving van de complexe onsets komen vereenvoudigingprocessen voor. De eerste twee fases komen overeen met de twee fases van de eenvoudige onset: onset deletie en onset kopie. In de verwerving van complexe coda’s worden deze eerste twee fases sneller doorlopen. De derde fase is de fase van de clusterreductie. Hierbij wordt één van de consonanten van een consonantcluster geproduceerd. Wanneer het kind probeert om de consonantcluster te produceren, worden er wel twee consonanten geproduceerd, maar niet in een cluster. Er komen drie vereenvoudigingprocessen voor.

  • Er wordt een vocaal toegevoegd tussen de consonanten (gviná -> geviná)
  • Twee consonanten worden samengevoegd tot één consonant (gviná -> biná)
  • Er vindt verwisseling van de klanken plaats (gviná -> givná)

De laatste fase is de fase waarbij de complexe coda juist geproduceerd wordt. De fases van verwerving van complexe onset is in onderstaande tabel weergegeven met een voorbeeld.

Tabel 7: Voorbeeld verwerving complexe onset*
Deletieà
Kopieà
Clusterreductie à
+ V à
C samenà
Verplaatsenà
Onset
Olá
Lolá
dolá
gedolá


gdolá
(groot)
Uná
Nuná
Muná

puná

tmuná
(foto)
Ipá
Pipá
kipa


kilpá
klipá
(schil)
*NB. de drie categorieën +V (toevoegen vocaal), C samen (samenvoegen van twee consonanten) en verplaatsen (van klanken) vallen onder fase 4: poging tot productie van beide consonanten.

Syllabestructuur – coda
44% van de syllabes in het Hebreeuws hebben een eenvoudige coda, 1% een complexe coda en 55% van de syllabes in het Hebreeuws hebben geen coda. Omdat de coda in een syllabe vaker afwezig (55%) dan aanwezig (45%) is, is de verwerving van coda’s ingewikkeld. Finale coda’s worden eerder verworven dan mediale coda’s. Er worden verschillende fases onderscheiden. In de eerste fase worden vrijwel alle coda’s weggelaten. In de tweede fase wordt de finale coda correct geproduceerd, wanneer deze beklemtoond is, in de derde fase worden alle finale coda’s correct geproduceerd, in de vierde fase wordt de mediale coda correct geproduceerd wanneer er sprake is van penultimate stress (klemtoon op de één-na-laatste syllabe) in de laatste fase worden alle coda’s correct geproduceerd. De fases van verwerving van de coda’s is in onderstaande tabel weergegeven met een voorbeeld.

Tabel 8: Voorbeeld verwerving coda
Deletie coda
(ava)yó
Correct beklemtoonde, finale coda
avayót
Correct finale coda’s
avayót
Correct mediale coda’s in penultimate stress
avanyót
Correct mediale coda’s
agvanyót
Coda
agvanyót (tomaten)

Top

4. Onderzoek naar taalontwikkelingsstoornissen in het Ivriet

Er zijn een aantal onderzoeken gedaan naar taalontwikkelingsstoornissen bij Hebreeuwse kinderen. Drie van deze onderzoeken zullen hieronder besproken worden. Het eerste onderzoek (the acquisition of relative clause comprehension in Hebrew:A study of G-SLI and normal development) gaat over het verschil tussen eentalige Hebreeuwse kinderen met en zonder TOS, het tweede onderzoek (between L2 and SLI: inflections and prepositions in the Hebrew of bilingual children with TLD and monolingual children with SLI) gaat over het verschil tussen eentalige Hebreeuwse kinderen met TOS en twee groepen normaal ontwikkelende kinderen die het Hebreeuws als tweede taal leren, het laatste onderzoek (interpreting deficits in grammatical morphology in specifically language-impaired children: Preliminary evidence from Hebrew) gaat over een vergelijking tussen Engelse kinderen met TOS en Hebreeuwse kinderen met TOS.

In het eerste onderzoek wordt er gesproken over G-TOS. Dit is een sub-groep binnen de TOS groep met meer moeite met de syntaxis, hierdoor wordt deze groep kinderen ingedeeld in de G-TOS (grammaticaal TOS) groep. Deze groep kinderen laat minder problemen zien in fonologie, lexicon of semantiek. De grammatica ontwikkelt zich langzamer. De verplaatsing van woorden en zinsdelen binnen zinnen is voor deze groep kinderen erg lastig. Het huidige onderzoek heeft drie groepen eentalige Hebreeuwse kinderen onderzocht. Een groep bestond uit 10 kinderen met TOS, gemiddelde leeftijd 9;0 jaar, een groep bestond uit normaal ontwikkelende eentalige Hebreeuwse kinderen, gemiddelde leeftijd 6;2 jaar en een groep normaal ontwikkelende eentalige Hebreeuwse kinderen, gemiddelde leeftijd 4;7 jaar. Er zijn drie soorten zinnen onderzocht: eenvoudige SVO zinnen, betrekkelijke bijzinnen met onderwerp en betrekkelijke bijzinnen met lijdend voorwerp. Een voorbeeld van de laatste twee zinnen:

  • Onderwerp: this is the girl that is kissing the grandmother
  • Lijdend voorwerp: this is the girl that the grandmother is kissing

Uit het onderzoek blijkt dat de resultaten van de 4-jarige groep en de TOS groep grotendeels met elkaar overeenkomen. Beide groepen scoren op de SVO zinnen en de bijzinnen met onderwerp significant beter dan de bijzinnen met lijdend voorwerp. De TOS groep scoort significant beter dan de 4-jarige groep op bijzinnen met onderwerp. De 6-jarige groep scoort significant beter dan de TOS groep op de bijzinnen met lijdend voorwerp. De conclusie van het onderzoek luidt dan ook als volgt: Hebreeuws-sprekende kinderen met G-TOS met een leeftijd van 7;3 tot 11;2 begrijpen betrekkelijke bijzinnen met een lijdend voorwerp niet, terwijl dit bij kinderen met een normale ontwikkeling rond 6-jarige leeftijd bereikt wordt. De G-TOS groep scoorde op dit onderdeel gelijk met de 4-jarige groep Hebreeuwse kinderen met een normale ontwikkeling. Het syntactische probleem uit zich voornamelijk in het begrip van de syntactische verplaatsing. Deze problemen lijken te blijven bestaan tot 11-jarige leeftijd.

In het tweede onderzoek wordt gekeken naar de morfosyntaxis en de voorzetsels. De morfosyntaxis van het Hebreeuws verschilt erg van het Engels, maar zeker ook van het Nederlands. In het Hebreeuws worden de voorzetsels, bepaalde functiewoorden en het lidwoord als voorvoegsel gebruikt. Er zijn drie groepen kinderen onderzocht. Een groep bestond uit 25 Russisch-Hebreeuwse kinderen met een normale taalontwikkeling, leeftijd 5;0-7;0 jaar. Een groep bestond uit 11 Engels-Hebreeuwse kinderen met een normale taalontwikkeling, leeftijd 5;0-7;0 jaar en een groep bestond uit 7 eentalige Hebreeuwse kinderen met TOS, leeftijd 5;0-7;0 jaar. De werkwoordsmorfologie werd onderzocht aan de hand van een invulzinnen en een naspreektaak, het gebruik van voorzetsels wordt onderzocht aan de hand van invulzinnen.

Wat betreft de werkwoordsmorfologie valt op dat de tweetalige kinderen het plafond bereikt hebben van de morfemen (score van bijna 100%), terwijl de eentalige Hebreeuwse kinderen met TOS hier nog veel moeite mee hebben. De TOS groep scoort significant slechter op de tweede persoon enkelvoud, zowel mannelijk als vrouwelijk. Uit een foutenanalyse blijkt dat de kinderen met TOS vaker de eerste persoon gebruiken dan de tweede persoon. Ook komt er bij de kinderen met TOS clusterreductie voor, wat bij de tweede persoon enkelvoud vrouwelijk in het Hebreeuws leidt tot gebruik van de derde vorm. Bij de tweetalige groep zijn er geen significante verschillen gevonden.

Bij het gebruik van voorzetsels wordt er gekeken naar gebonden en vrije voorzetsels. De tweetalige groepen hebben een plafond bereikt, op beide soorten voorzetsels scoren zij bijna 100% correct, deze score ligt voor de TOS groep lager, rond de 80% correct. De TOS groep maakt meer fouten op de gebonden voorzetsels dan de vrije voorzetsels. Uit een foutenanalyse blijkt dat er bij de TOS groep veel substitutie- en omissiefouten voorkomen. Er komen significant meer omissiefouten voor bij de gebonden voorzetsels dan bij de vrije voorzetsels. Dit komt bijna niet voor in de tweetalige groep.

Uit het laatst onderzoek blijkt dat Hebreeuwse kinderen met TOS (leeftijd: 4;4-5;3) meer gebruik maken van grammaticale morfemen dan Engelse kinderen met TOS (leeftijd: 3;6-6;9). Er wordt gesuggereerd dat de rijke morfologie van het Hebreeuws een voordeel heeft voor de kinderen met TOS in tegenstelling tot het Engels. Wanneer er gekeken wordt naar het Hebreeuws op zich, hebben Hebreeuwse kinderen met TOS meer moeite met grammaticale morfemen met een lage saillantie dan de normaal ontwikkelende Hebreeuwse kinderen.

Top

5. Slotopmerkingen en literatuurverwijzingen

Deze wiki-pagina over het Modern Hebreeuws hoopt logopedisten en klinisch linguïsten handvatten te bieden bij de behandeling, begeleiding en het onderzoek bij meertalige kinderen. Er is veel informatie te vinden over het Modern Hebreeuws. Deze wiki-pagina geeft geen compleet beeld van de Modern Hebreeuwse taal, er is geprobeerd om beknopt een zo duidelijk mogelijk beeld te geven van deze taal, die toch op zeer veel gebieden verschilt van het Nederlands. De voorbeelden zijn enkel gegeven in het Latijnse schrift en niet in het Hebreeuwse schrift, omdat zo het verschil tussen woorden en zinnen visueel wordt voor lezers die het Hebreeuwse schrift niet beheersen. Tabel 1, 2 en 3 komen uit het Engelstalige boek Modern Hebrew: an introductory course (Kamhi, 1982). Ik heb geprobeerd Nederlandse voorbeelden te geven in plaats van de oorspronkelijke Engelse voorbeelden, hierbij heb ik gebruik gemaakt van de IPA-lijst achter in het boek Algemene Fonetiek (Rietveld & Heuven, 2009). Mocht u op zoek zijn naar de oorspronkelijke voorbeelden, raad ik u aan de voorbeelden op te zoeken in bovengenoemd Engelstalig boek. Ten slotte is onderaan de literatuurlijst een literatuurlijst opgenomen met andere onderzoeken naar de taalontwikkeling van Hebreeuwse kinderen met TOS, dit is als aanvulling opgenomen. Deze bronnen zijn niet gebruikt bij het schrijven van deze wiki-pagina. Tenslotte, om de tekst zo goed mogelijk leesbaar te houden, is er niet in de tekst verwezen naar bronnen. Alleen bij de onderzoeken wordt de titel van het onderzoek genoemd, zodat lezers dit artikel gemakkelijk terug kunnen vinden in de literatuurlijst. De boeken Modern Hebrew (Schwarzwald, 2001) en Modern Hebrew: an introductory course (Kamhi, 1982) geven een goede beschrijving van de Hebreeuwse taal. Mocht u op zoek zijn naar informatie over een specifiek taalgebied, dan is het boek van Schwarzwald (2001) een aanrader. Dit boek doorloopt per taalgebied de Hebreeuwse taal.

Literatuurlijst

Armon-Lotem, S. (2014). Between L2 and SLI: inflections and prepositions in the Hebrew of bilingual children with TLD and monolingual children with SLI. Journal of Child Language, 41(1) 3-33.
Ben-David, A., & Bat-El, O. (In preparation). Paths and stages in the acquisition of Hebrew phonological word. In R. Berman, Acquisition and Development of Hebrew: from infancy to adolescence. Amsterdam: John Benjamins.
Biró, T. (z.d.). Introduction to Hebrew Linguistics. Amsterdam.
Cherryholmes, L. (2011). The seven benyamin for Hebrew verbs. Zion CS.
Friedmann, N., & Novogrodsky, R. (2004). The acquisition of relative clause comprehension in Hebrew:a study of SLI and normal development. Journal of Child Language, 31(3) 661-681.
Glimert, L. (2005). Modern Hebrew: An Essential Grammar. Routledge.
Gzella, H. (z.d.). Semitische Talen. Verkregen op 30-12-2014 van http://fastfacts.nl/content/semitische-talen
Hanzehogeschool Groningen. (z.j.). Problemen in de fonologische ontwikkeling. Verkregen op 30-12-2014 van Taalexpert: http://taalexpert.nl/fonologie.aspx?dataId=72
JongiB. (z.d.). Bijvoeglijk naamwoord. Verkregen op 31-12-2014 van JongiB: http://www.jongib.nl/l/library/download/4692
JongiB. (z.d.). Regels voor het meervoud van een zelfstandig naamwoord. Verkregen op 31-12-2014 van JongiB: http://www.jongib.nl/l/library/download/8346
JongiB. (z.d.). Sjewa - mater lectionis - leesmoeder. Verkregen op 31-12-2014 vanJongiB: http://www.jongib.nl/l/library/download/4696
JongiB. (z.d.). Voorzetsel-Maggeef. Verkregen op 31-12-2014 van JongiB: http://www.jongib.nl/l/library/download/8342
Kamhi, D. (1982). Modern Hebrew: an introductory course. Oxford: Oxford University Press.
Lambert, L. (1995). Israël is uniek. Nijkerk: Chai pers.
Matras, Y., & Bolkestein, A. (2006). Hebrew. In G. Bernini, & M. Schwartz, Pragmatic Organization of Discourse in the Languages of Europe (pp. 246-249). Berlin: Walter de Gruyter GMBH&Co.
Owen, A., Dromi, E., & Leonard, L. (2001). The phonology-morphology interface in the speech of Hebrew-speaking children with specific language impairment. Journal of Communication Disorders, 34(4), 323-337.
Rietveld, A., & Heuven, van. (2009). Algemene fonetiek. Bussum: Uitgeverij Coutinho.
Rom, A., & Leonard, L. (1990). Interpreting deficits in grammatical morphology in specifically language-impaired children: Preliminary evidence from Hebrew. Clinical Linguistics and Phonetics, 4(2), 93-105.
Schwarzwald, O. (2001). Modern Hebrew. Münich: Lincom Europa.
Verrijp, A., & Willems, G. (2014, december). Israel taal. Verkegen op 21-11-2014 van Landenweb: http://www.landenweb.net/israel/taal/

Top

Literatuur om verder te lezen:
Arnon, I. (2009). Rethinking child difficulty: The effect of NP type on children's precessing of relative clauses in Hebrew. Journal of child language, 37(01) 1-31.
Belletti, A., Friedmann, N., Brunato, D., & Rizzi, L. (2012). Does gender make a difference? Comparing the effect of gender on children's comprehension of relative clauses in Hebrew and Italian. Lingua, 122(10) 1053-1069.
Dromi, E., Leonard, L., & Shteiman, M. (1993). The grammatical morphology of Hebrew-speaking children with specific language impairment: some competing hypotheses. Journal of speech, language and hearing research, 36, 760-771.
Friedmann, N., & Novogrodsky, R. (2007). Is the movement deficit in syntactic SLI related to traces or to thematic role transfer? Brain and language, 101(1) 50-63.
Friedmann, N., & Novogrodsky, R. (2011). Which questions are most difficult to understand? The comprehension of WH-questions in three subtypes of SLI. Lingua, 121(3) 367-382.
Schulz, P., & Friedmann, N. (2011). Specific language impairment (SLI) across languages: properties and possible loci. Lingua, 121(3) 333-338.


Wanneer een zelfstandig naamwoordgroep uit een mannelijk en een vrouwelijk woord bestaat, wordt de groep als mannelijk vervoegd. Daarnaast hebben alle zelfstandig naamwoorden die personen aanduiden, dan is er zowel een mannelijke als een vrouwelijk vorm van dat woord.

Aanwijzend voornaamwoorden congrueren met het bijbehorende zelfstandig naamwoord in geslacht en getal.